We worden met z’n allen armer!

Een artikel in de tijd  trok meteen mijn aandacht en wil ik zeker met u delen… De welvaart is volgens mij al een tijdje achteruit aan het gaan en het zal voor de jongere generatie moeilijker worden.

Komt er een einde aan de welvaartsgroei?

De meesten ontkennen het nog, maar het onmogelijke dreigt zich binnenkort te voltrekken: we worden met z’n allen armer. Niet voor een jaartje of twee, maar voor een decennium of twee. De dubbele uppercut van de schuldencrisis en de vergrijzing zal een bruusk einde maken aan anderhalve eeuw van welvaartsgroei, voorspellen economen. Vooral de jongere generatie riskeert het gelag te betalen. ‘We zitten op een vulkaan.’

Niet de minsten verkondigen het ontnuchterende nieuws. Onder hen is zelfs Luc Coene, als centraal bankier normaal de omzichtigheid zelve. ‘We zullen rekening moeten houden met een daling van onze levensstandaard’, zei de gouverneur van de Nationale Bank vorig weekend. Eerder had zijn Britse ambtgenoot, Mervyn King, de bevolking al aangemaand zich schrap te zetten voor ‘magere jaren’ en een drastisch lagere levensstandaard.

De Britse socialistische oppositieleider, Ed Miliband, stelde de zaak nog scherper. Volgens hem is er een ‘reëel gevaar’ dat de volgende generatie het slechter zal hebben dan de voorgaande, waarmee de ‘Britse belofte’ wordt verbroken om elke nieuwe generatie meer kansen en welvaart te geven dan de vorige. Miliband haalde de mosterd voor zijn ‘belofte’ bij de Amerikanen, de uitvinders van de mythische American Dream.

De kern van die intussen vanzelfsprekende droom is dat elke generatie het beter zal hebben dan de vorige. Maar na anderhalve eeuw dromen ontwaken ook Amerikanen in iets wat steeds meer op een nachtmerrie lijkt. Sinds het uitbreken van de kredietcrisis heeft men het aan de overkant van de plas steeds vaker over een ‘verloren generatie’. Peilingen bevestigen het gitzwarte pessimisme over de volgende generatie, zowel bij Amerikaanse ouders als bij hun kinderen.

Het kan nog grimmiger. ‘Als we de schuldencrisis niet snel oplossen, staat de democratie op instorten in landen als Griekenland, Spanje en Portugal.’ Getekend: José Manuel Barroso. De Europese Commissievoorzitter deed de beangstigende uitspraak al meer dan een jaar geleden. Intussen is er nog altijd geen oplossing. De wonde blijft etteren en wordt zelfs groter naarmate beleidsvoerders langer treuzelen met het toedienen van pijnlijke maar noodzakelijke medicatie.

Ziedaar het grote drama: de kans op een langdurige collectieve verarming stijgt met elke dag die verloren gaat. De crisis is alweer drie jaar oud, maar het is nog altijd wachten op een grondige aanpak. De problemen worden telkens opnieuw vooruit geschoven. Het verklaart waarom we voorlopig van echte pijn bespaard blijven. En het voedt tegelijk de illusie dat het allemaal wel goed zal komen.

‘We verkeren in een grote staat van ontkenning’, zegt Ivan Van de Cloot, de hoofdeconoom van de denktank Itinera. ‘De bevolking is voorlopig afgeschermd gebleven omdat overheden de schulden van de kredietcrisis op zich hebben genomen. Maar de rekening wordt onherroepelijk doorgeschoven naar de burger. Het is een illusie te denken dat ons geen pijnlijke aanpassing te wachten staat.’

De huidige bezorgdheid over een nieuwe economische recessie zo kort na de vorige – de double dip – is volgens Van de Cloot bijzaak. ‘Een dubbele dip is slechts een rimpel in de oceaan in het perspectief van de geschiedenis. Een veel groter risico is dat het Westen een zombie-economie is geworden, waarbij we allemaal doen alsof we niet failliet zijn omdat ons dat op korte termijn beter uitkomt. In dat geval krijgen we te maken met een welvaartsdaling die twintig jaar zal duren.’

Ook Etienne de Callataÿ, de hoofdeconoom van Bank Degroof, ziet het somber in. Hij acht het ‘waarschijnlijk dat we naar een veralgemeende koopkrachtdaling gaan’, mogelijk voor liefst drie decennia. Ook de Callataÿ ontwaart voorlopig geen sense of urgency bij de bevolking. ‘Dat komt deels door de alles-gaat-goed-communicatie en het dito beleid van de regering-Verhofstadt. De kans is groot dat we de volgende jaren alsnog stevig moeten ingrijpen, dit keer onder druk van de financiële markten. Dat belooft geen pretje te worden.

Ongrijpbaar

Om de oorzaken en gevolgen van onze dreigende verarming in kaart te brengen, moeten we eerst kijken hoe economen een haast ongrijpbaar concept als ‘levensstandaard’ meten, en waar de spectaculaire welvaartsgroei van de voorbije anderhalve eeuw vandaan komt.

Een perfecte maatstaf voor de levensstandaard bestaat niet, maar economen zijn het erover eens dat het reële bruto binnenlands product (bbp) per capita voorlopig de beste indicator blijft. Het is de som van alle goederen en diensten die een land in een jaar produceert, gedeeld door het aantal inwoners van dat land. Meteen is duidelijk dat in die definitie een cruciale rol is weggelegd voor economische groei, hier gemeten via de evolutie van het reële bbp (gecorrigeerd voor inflatie). Groei creëert immers de rijkdom die kan worden verdeeld over de maatschappij.

De vanzelfsprekendheid waarmee we in het Westen uitgaan van almaar toenemende welvaart en technologische vooruitgang, doet vergeten dat het eigenlijk om een relatief recent fenomeen gaat. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw zijn we erin geslaagd het stationaire karakter van de economie te doorbreken, met dank aan de Industriële Revolutie en de daaruit voortvloeiende stijgende arbeidsproductiviteit. Tot dan toe gingen economen er vanuit dat we eeuwig ter plaatse zouden trappelen, met een occasionele ‘boom’ als de oogst meeviel en een ‘bust’ na hongersnoden en epidemieën.

Zodra het mirakel van de continue welvaartsgroei op gang was getrokken, was er geen houden meer aan. Tussen 1900 en het einde van de 20ste eeuw vervijfvoudigde het reële bbp per capita in ons land. Een gemiddeld gezin in 1999 was vijfmaal welvarender dan een gezin uit 1900. Of nog anders bekeken: als we 25 jaar rekenen per generatie, zag elke generatie zijn levensstandaard met 50 procent toenemen tegenover de voorgaande. De Belgian Dream draaide op volle toeren, met een korte dip tijdens de twee wereldoorlogen en de Grote Depressie in de jaren dertig.

Deze puur economische welvaartsgroei houdt nog niet eens rekening met andere fenomenen die ons welzijn spectaculair hebben verbeterd. Denk maar aan de gezondheidszorg, die onze levensverwachting fors deed toenemen. De 20ste eeuw zag ook aanzienlijke sociale vooruitgang, onder meer voor vrouwen en homo’s. Recenter hebben we een explosie gekend in de vormen van vrijetijdsbesteding, met gratis internet, goedkope citytrips, computerspelletjes en tv-programma’s de klok rond.

Maar plots staat dus een kentering voor de deur die na anderhalve eeuw van verwenning moeilijk te slikken zal zijn. ‘We zullen misschien langer leven, maar met minder citytrips naar Rome en Barcelona’, vat de Callataÿ het samen. Het illustreert dat het pessimisme over onze toekomst vooral te maken heeft met de vrees voor een decennialange trage economische groei. Een stevig groeiende economie kan ons immers uit de problemen helpen, op voorwaarde dat die groei duurzaam is en niet gestut wordt door nieuwe schuldorgieën of milieucatastrofes. Groei zou onze enorme schuldenbergen helpen af te betalen.

‘Groei kan de rekening minder pijnlijk maken. Maar er is veel tegenwind’, waarschuwt Van de Cloot meteen. ‘De financiële crisis heeft ons economisch groeipotentieel aangetast, terwijl de vergrijzing voor een stevige demografische tegenwind zorgt. Het is gevaarlijk dat politici zomaar uitgaan van economische groei om de problemen op te lossen.’

Ijstijd

De jarenlang opgebouwde schulden – bij gezinnen, banken, overheden – blijven volgens Van de Cloot ‘als een molensteen rond onze nek hangen’. Dat heeft ook een belangrijk psychologisch effect. ‘Als mensen een goed toekomstperspectief missen omdat ze de vruchten van elke economische ontwikkeling moeten afstaan aan schuldeisers, ontstaat een ongezond doemdenken’, zegt Van de Cloot.

Japan is daar een goed voorbeeld van. Dat land zit al twintig jaar gevangen in een stilstaande economie als gevolg van het barsten van een vastgoedzeepbel begin jaren negentig. Behalve een gestegen werkloosheid en staatsschuld heeft de stilstand een verwoestende psychologische impact gehad op mensen die het bedrag op hun loonbriefje al twintig jaar niet hebben zien stijgen. Het leidt tot een conservatieve en bange samenleving waar gezinnen niet langer consumeren, banken geen geld uitlenen en bedrijven niet investeren.

Gelukkig is Japan nog een samenleving met een sterke sociale cohesie. In het Westen is dat minder het geval, zodat een algemene welvaartsdaling hier wel eens tot enorme sociale spanningen zou kunnen leiden, waarschuwt Albert Edwards. De eeuwig sombere beursanalist van het Londense filiaal van de bankgroep Société Générale voorspelt een economische ‘ijstijd’ voor de wereldeconomie. Net als Japan staan ons een of meer ‘verloren decennia’ te wachten.

Sociale onrust is in dat geval zeker een risico. Economische groei is een vorm van conflictbeheersing, omdat een grotere koek het makkelijker maakt iedereen tevreden te houden. De recente rellen in het Londen van Edwards zijn dan ook misschien een voorbode van wat ons de volgende jaren nog te wachten staat.

We moeten de komende decennia mogelijk ook minder troost verwachten van innovatieve producten en diensten. Economische groei en innovatie zijn immers gelinkt. Minder groei betekent minder geld voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling.

De Amerikaanse econoom Tyler Cowen, wiens recente boek ‘The Great Stagnation’ alom wordt geprezen als een visionair geschrift, ziet het nog somberder in. Volgens hem zijn we met onze innovatie tegen een plafond gestoten. We teren al enkele decennia op de grote technologische revoluties uit de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw. We doen niet meer dan marginale verbeteringen te wringen uit vroegere revolutionaire ontdekkingen als elektriciteit en motoren. Het internet is weliswaar een recente doorbraak, maar door het grotendeels open en gratis karakter ervan draagt het voorlopig weinig bij tot het bbp.

Conclusie? De enorme welvaartscreatie van de voorbije eeuw – dankzij het ‘laaghangend fruit’ van technologische ontwikkelingen, goedkope grond en het gestegen onderwijsniveau – is verleden tijd, aldus Cowen. Grond is schaars, terwijl de democratisering en niveaustijging van het onderwijs het moeilijk maakt nog extra dividenden te puren uit de opleiding van de bevolking. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat Cowen twee decennia van lage economische groei voorspelt voor de Amerikaanse economie, en bij uitbreiding voor het Westen.

Het bewijs van die ‘grote stagnatie’ ziet Cowen vandaag al in het stabiele of zelfs krimpende inkomensniveau van het typische Amerikaanse gezin. De voorbije twee decennia zijn alle extra inkomsten uit productiviteitswinsten naar de rijken en de bedrijven gevloeid. De gecreëerde welvaart werd niet langer evenredig verdeeld. Dat resulteerde wereldwijd in een dramatische ontwikkeling die volgens veel economen aan de basis van de huidige crisis ligt: de snelgroeiende inkomenskloof in westerse landen.

Roofbouw

‘De voorbije decennia is de ongelijkheid in alle geïndustrialiseerde landen gestegen, zij het iets minder in België’, reageert de Callataÿ. De hetze over de bonussen heeft de groeiende ongelijkheid volgens de Callataÿ plots zichtbaar gemaakt voor het brede publiek, wat leidde tot een ‘pijnlijke bewustwording.’ En een pijnlijke realiteit: om de economische motor draaiende te houden, moeten gezinnen consumeren. Omdat ze al geruime tijd geen extra inkomen kregen, consumeerden gezinnen dan maar op krediet en deels via het speculeren op een almaar stijgende woningmarkt. Het bleek een onhoudbare situatie, bewijst de schuldenkater vandaag.

Het doet meteen de cruciale vraag rijzen over de duurzaamheid van onze economische groei. Hier schiet de welvaartsmaatstaf van bbp per capita schromelijk tekort. Die statistiek houdt geen rekening met de roofbouw die we plegen op de toekomstige groei, bijvoorbeeld door excessieve schulden aan te gaan of door het milieu te vernietigen en onze grondstoffen uit te putten. Nochtans dreigt dergelijke roofbouw onze levensstandaard voor lange tijd te kortwieken.

Voor econoom Paul De Grauwe van de KULeuven staat het milieuvraagstuk zelfs centraal. ‘Problemen als de opwarming van de aarde en een mogelijk tekort aan grondstoffen beheersen we onvoldoende. Milieucatastrofes riskeren wel degelijk onze materiële welvaart te doen afnemen’, waarschuwde hij onlangs in deze krant. De Callataÿ vreest dat het milieu ons verschillende decennia zal achtervolgen. ‘Hogere energieprijzen, hogere taksen en een groter milieubewustzijn zullen ons minder met de auto doen rijden en minder vaak het vliegtuig doen nemen naar het buitenland.’

Ook de gevolgen van de globalisering zullen we volgens de Callataÿ nog minstens dertig jaar voelen. In een land als China zullen de lonen pas tegen 2040 of 2050 op ons niveau zijn, wat in de tussentijd druk blijft zetten op Belgische jobs en activiteiten die rechtstreeks met China concurreren. Ten slotte is er de vergrijzing. Ook daar moeten we tot 2040 wachten op een verbetering. Zo lang is er nodig om de pensionering van de babyboomgeneratie door te slikken en opnieuw een normale bevolkingspiramide te krijgen met een gezonde verhouding tussen het aantal werkende mensen en gepensioneerden.

De lasten van de vergrijzing dreigen integraal op het bord van de jongere generaties terecht te komen. De gecreëerde welvaart van de babyboomgeneratie is niet opgespaard in een pensioenpotje, maar bijna volledig opgesoupeerd. Jongeren moeten dus niet enkel bijdragen voor hun eigen pen- sioen, maar ook voor dat van een generatie die bovendien omvangrijker is. Itinera berekende dat elke Belg die na 1970 is geboren in zijn levensloop meer zal bijdragen aan de overheid dan hij zal ontvangen. Voor iemand uit 1990 gaat het al om een nettotransfer van meer dan 50.000 euro.

Betaalbare woning

De jongere generatie heeft het op sommige vlakken nu al moeilijker dan haar babyboomende ouders. Huisvesting is het pijnlijkste voorbeeld. Veel twintigers en jonge dertigers hebben de grootste moeite nog een betaalbare woning te vinden. Ze zijn gedwongen kleiner te gaan wonen of verder van hun werk, tenzij ouders een financieel handje toesteken. Dat laatste is echter allesbehalve een rechtvaardig herverdelings- mechanisme. Wie veel erft, hoeft zich geen zorgen te maken over zijn levensstandaard. Dat kan spanningen creëren in de jongere generatie, waarschuwt Van de Cloot.

Tussen de generaties onderling heerst vandaag al een gespannen relatie, menen de Callataÿ en Van de Cloot. Solidariteit is ver te zoeken. ‘Het beleid geeft vandaag de voorkeur aan de oudere generatie, de zogenaamde insiders met hun verworven rechten zoals het brugpensioen. Waarom krijgt een gepensioneerde trouwens een voordelig tarief op de trein? Zijn koopkracht is vergelijkbaar met die van jongere generaties’, zegt de Callataÿ. Volgens Van de Cloot is in België al twintig jaar een welvaartstransfer bezig van jongeren naar ouderen, omdat ‘ouderen de steeds duurdere woningen bezitten die de jongeren moeten kopen’.

In theorie is het voor politici uiteraard mogelijk de pijn van een nakende welvaartsdaling te spreiden om zo de zwaksten te beschermen. Maar Van de Cloot vraagt zich af of daar wel een maatschappelijk draagvlak voor bestaat. ‘Mensen voelen zich niet persoonlijk verantwoordelijk voor de crisis en het falende beleid. Ze wijzen met een beschuldigende vinger naar de banken en de overheid. Daarom geloven vakbonden dat ze geen inspanningen moeten leveren.’

En dus blijven we aanmodderen, met een steeds grotere aanstormende kater als gevolg. Misschien kunnen we onszelf alvast trakteren op een boekje over ‘happynomics’. Die groeiende discipline roept op het geluk niet enkel in economische welvaart te zoeken, maar in zaken als sociale contacten, kortere files en een eenvoudiger leven. Het klinkt een beetje wuft, maar het belooft de nieuwe rage te worden. Het kan onze materiële verarming minder pijnlijk helpen maken. (bron: De Tijd – Kris Van Hamme 20/08/2011)

Leave a Reply